In het Licht der Waarheid - Graalsboodschap Deel 2

Abd-ru-shin

€ 23,00
Incl. BTW
verzendkosten


Beschikbaarheid: In voorraad

Levering: Binnen een week ontvangt u uw bestelling

OF
Beschrijving

Details

De drie delen van het boek In het Licht der Waarheid bevatten samen 168 voordrachten die de lezer de weg wijzen naar Godsbesef en inzicht in de wereld en in zichzelf.

Abd-ru-shin, de schrijver van de Graalsboodschap, droeg de burgerlijke naam Oskar Ernst Bernhardt (1875 - 1941). Met het boek In het Licht der Waarheid wilde hij alle naar waarheid zoekende mensen ‘toorts en staf’ bieden op de weg van de geestelijke ontwikkeling naar werkelijk geluk en een betere samenleving. Zonder omwegen voert de Graalsboodschap weg uit de chaos en verwarring van de tegenwoordige tijd. Vragen van het menselijk bestaan worden eenvoudig en helder beantwoord. De basis daarvoor wordt gevormd door universele scheppingswetten, waarvan de natuurwetten die wij op aarde kennen een direct uitvloeisel vormen.

Naast antwoorden op alle grote vragen naar de zin van het bestaan vindt de lezer in de Graalsboodschap ook hulp voor velerlei levensproblemen. Stap voor stap ontvouwt zich voor hem een nieuw, alomvattend beeld van de schepping, waarin geloof en wetenschap tot eenheid worden en alle tegenstellingen tussen bestaande religies komen te vervallen.

De drie delen van In het Licht der Waarheid vormen als samenhangend geheel een onvergelijkbaar basiswerk van het scheppingweten.

Extra informatie
Auteur Abd-ru-shin
ISBN 978-9-071373-15-2
Formaat 16,1 x 23,5 cm
Uitvoering linnen band met omslag
Aantal bladzijden 463
Taal Nederlands
Levertijd Levering: Binnen een week ontvangt u uw bestelling
Voorbeeld

Voorbeeld

VERANTWOORDELIJKHEID

Deze vraag is altijd een van de eerste, omdat verreweg de meeste mensen maar al te graag elke verantwoordelijkheid van zich af schuiven en haar op alles behalve op zichzelf zouden willen laden. Dat dit op zich een vermindering van hun eigenwaarde is, speelt voor hen daarbij geen rol. In dit opzicht zijn zij werkelijk eens deemoedig en bescheiden, maar alleen om er des te plezieriger en gewetenlozer op los te kunnen leven.

Het zou immers zo fijn zijn aan al zijn wensen te mogen voldoen en al zijn begeerten, ook ten opzichte van andere mensen, rustig ongestraft te mogen botvieren. In geval van nood kan men de aardse wetten ontduiken en conflicten vermijden. Nog slimmere mensen kunnen zelfs onder de dekmantel van deze wetten met veel succes hun slag slaan en op die manier allerlei doen, wat de morele toets niet zou doorstaan. Zij hebben daarbij zelfs nog dikwijls de naam bijzonder flinke mensen te zijn.

Met enige schranderheid zou men dus eigenlijk heel prettig volgens zijn eigen opvattingen kunnen leven, wanneer ... er niet ergens iets was, dat een onbehaaglijk aanvoelen opwekte, wanneer niet een zo nu en dan opkomende onrust aangaf, dat sommige dingen toch uiteindelijk wat anders zouden kunnen zijn dan men zich op grond van zijn eigen wensen voorstelt.

En zo is het ook! De werkelijkheid is ernstig en onverbiddelijk. De wensen van de mensen kunnen wat dit betreft geen enkele afwijking teweegbrengen. Onwrikbaar blijft de wet van kracht: «Wat de mens zaait, dat zal hij veelvoudig oogsten!»

Deze weinige woorden behelzen en betekenen veel meer dan menigeen zich daarbij voorstelt. Haarfijn en nauwkeurig stemmen zij overeen met het werkelijke verloop van de in de schepping rustende wisselwerking. Er zou daarvoor geen betere uitdrukking gevonden kunnen worden. Precies zoals de oogst het veelvoud van een zaadkorrel oplevert, treft de mens altijd weer een veelvoud van datgene wat hij met zijn eigen aanvoelen opwekt en uitzendt, al naar de aard van zijn willen.

De mens draagt dus geestelijk de verantwoordelijkheid voor alles wat hij doet. Deze verantwoordelijkheid begint reeds bij het besluit, niet pas bij de volbrachte daad, die immers het gevolg is van het besluit. En het besluit is het ontwaken van een ernstig willen!

Er bestaat geen scheiding tussen het dezerzijdse en het zogenaamde generzijdse, maar alles is slechts één groot zijn. De hele geweldige, voor de mensen zichtbare en onzichtbare schepping grijpt als een verbazingwekkend knap, nooit weigerend raderwerk in elkaar, werkt niet naast elkaar. Uniforme wetten, die als zenuwstrengen alles doordringen, alles bijeenhouden en die elkaar wederkerig in voortdurende wisselwerking aanzetten, dragen het geheel!

Wanneer nu de scholen en de kerken daarbij spreken van hemel en hel, van God en de duivel, dan is dat juist. Verkeerd is echter een verklaring van goede en kwade krachten. Dat moet iedere ernstig zoekende onmiddellijk in verwarring en twijfel brengen, want waar twee krachten zijn, zouden vanzelfsprekend ook twee heersers, in dit geval dus twee goden moeten bestaan, een goede en een kwade.

En dat is niet het geval!

Er is maar één Schepper, één God, en derhalve ook maar één kracht, die al wat is doorstroomt, bezielt en vooruitbrengt!

Deze reine, scheppende Godskracht doorstroomt onafgebroken de gehele schepping, ligt in haar, is niet van haar te scheiden. Overal is zij te vinden: in de lucht, in elke waterdruppel, in het zich vormende gesteente, de groeiende plant, het dier en natuurlijk ook in de mens. Er bestaat niets waarin zij niet is.

En zoals zij alles doorstroomt, stroomt zij ook voortdurend door de mens. Zijn gesteldheid is zodanig dat hij op een lens gelijkt. Zoals een lens de door haar vallende zonnestralen verzamelt en geconcentreerd verder leidt, zodat de verwarmende stralen, op één punt verenigd, zengen en vuur doen ontvlammen, zo verzamelt de mens dankzij zijn bijzondere gesteldheid met zijn aanvoeling de door hem stromende scheppingskracht en leidt deze geconcentreerd verder door zijn gedachten.

Al naar de aard van dit aanvoelen en de daarmee samenhangende gedachten leidt hij dus de zelfstandig werkende, scheppende Gods-kracht naar een goede of een slechte uitwerking!

En dat is de verantwoordelijkheid die de mens moet dragen! Daarin is ook zijn vrije wil gelegen!

Waarom maakt u, die dikwijls zo krampachtig probeert de juiste weg te vinden, het uzelf zo moeilijk? Stelt u zich in alle eenvoud het beeld voor ogen, hoe de reine kracht van de Schepper door u heen stroomt en hoe u deze met uw gedachten in de goede of de slechte richting leidt. Daarmee hebt u zonder moeite en zonder hoofdbreken alles!

Bedenkt dat het van uw eenvoudig aanvoelen en denken afhangt of deze geweldige kracht nu goed of kwaad te voorschijn zal roepen. Welk een helpende of verderf brengende macht is u daarmee gegeven!

U behoeft u daarbij niet zo in te spannen dat het zweet op uw voorhoofd parelt, behoeft u niet aan een zogenaamde occulte oefening vast te klampen, om door alle mogelijke en onmogelijke lichamelijke en geestelijke kronkelingen de een of andere trap te bereiken, die voor uw werkelijke geestelijke vlucht omhoog volledig nietszeggend is!

Laat dit tijdrovend vermaak dat reeds zo vaak een smartelijke kwelling is geworden, dat niets anders betekent dan de vroegere zelfgeselingen en kastijdingen in de kloosters. Het is slechts een andere vorm ervoor, die u net zomin voordeel kan brengen.

De zogenaamde occulte meesters en leerlingen zijn moderne farizeeërs! In de volle betekenis van het woord. Zij zijn het getrouwe spiegelbeeld van de farizeeërs ten tijde van Jezus van Nazareth.

Bedenkt met intense vreugde dat u zonder moeite in staat bent om door uw eenvoudig, goedwillend aanvoelen en denken de enige en geweldige scheppingskracht te leiden. Geheel overeenkomstig de aard van uw aanvoelen en uw gedachten is dan de uitwerking van de kracht. Zij werkt zelfstandig, u behoeft haar alleen maar te sturen.

Dat gebeurt in alle eenvoud en natuurlijkheid! Daarvoor is geen geleerdheid nodig, hoeft men niet eens te kunnen lezen of schrijven. Het is aan ieder van u in gelijke mate gegeven! Daarin bestaat geen onderscheid.

Zoals een kind in staat is spelend met de schakelaar een elektrische stroom in te schakelen, die geweldige uitwerkingen heeft, zo is het u gegeven door uw eenvoudige gedachten goddelijke kracht te leiden.

U kunt u daarover verheugen, kunt er trots op zijn, zodra u dit ten goede benut! Maar siddert, wanneer u dit nutteloos verspilt of zelfs voor iets onreins gebruikt! Want u kunt de wetten van de wisselwerking, die in de schepping rusten, niet ontlopen. Al had u de vleugels van de dageraad, de hand des Heren, wiens kracht u daarmee misbruikt, zou u door deze zelfstandig werkende wisselwerking treffen, waar u zich ook zou willen verbergen.

Het kwade wordt met dezelfde reine, goddelijke kracht teweeggebracht als het goede!

En deze aan een ieder zelf overgelaten wijze van toepassing van deze éne goddelijke kracht draagt de verantwoordelijkheid in zich, waaraan niemand kan ontkomen. Daarom roep ik elke zoekende toe: «Houd de haard van uw gedachten rein, u sticht daarmee vrede en zult gelukkig zijn!»

Juicht, gij onwetenden en zwakken, want aan u is dezelfde macht gegeven als aan de sterken! Maakt het u dus niet te moeilijk! Vergeet niet dat de reine, zelfscheppende Godskracht ook door u stroomt en dat ook u als mensen in staat bent aan deze kracht een bepaalde richting te geven door de aard van uw innerlijk aanvoelen, dus van uw willen, zowel ten goede als ten kwade, vernietigend of opbouwend, vreugde of leed brengend!

Omdat alleen deze éne Godskracht bestaat, is daarmee ook het geheim opgelost, waarom het duister voor het Licht, het kwade voor het goede in iedere ernstige eindstrijd moet wijken. Leidt u de Godskracht ten goede, dan behoudt zij haar oorspronkelijke reinheid onvertroebeld en ontwikkelt daardoor een veel sterkere kracht, terwijl met de vertroebeling tot in het onreine gelijktijdig een verzwakking plaatsvindt. Zo zal in een eindstrijd de reinheid van de kracht altijd doorslaggevend werken en beslissend zijn.

Wat goed is en wat kwaad, dat voelt iedereen tot in zijn vingertoppen, als vanzelfsprekend. Tobben daarover zou slechts verwarring stichten. Somber tobben is krachtverspilling, te vergelijken met een poel, een taai moeras dat al wat binnen zijn bereik is, verlammend omklemt en verstikt. Blijde opgewektheid verbreekt echter de ban van het tobben. U behoeft niet treurig en bedrukt te zijn!

Ieder ogenblik kunt u de weg naar de hoogte beginnen en wat voorbij is goedmaken, wat het ook moge zijn! Doet verder niets dan aan het gebeuren van de u steeds doorstromende, reine Godskracht te denken, dan schrikt u zelf ervoor terug deze reinheid in vuile kanalen van slechte gedachten te leiden, terwijl u zonder enige inspanning op dezelfde wijze het hoogste en edelste kunt bereiken. U behoeft immers slechts te sturen, de kracht werkt dan zelf in de door u gewilde richting.

U hebt daarmee het geluk of het ongeluk in eigen hand. Heft daarom trots het hoofd omhoog, met vrije en moedige blik. Het kwaad kan u niet naderen, wanneer u het niet oproept! Zoals u het wilt, zo zal het u vergaan!

 

HET LOT

De mensen spreken van verdiend en onverdiend lot, van beloning en straf, vergelding en karma.

Dat zijn allemaal slechts gedeeltelijke aanduidingen van een in de schepping rustende wet: de wet van de wisselwerking!

Een wet die sinds het oerbegin in de gehele schepping ligt, die met het grote, nooit eindigende ontstaan onverbrekelijk werd verweven als een noodzakelijk deel van het scheppen zelf en van de ontwikkeling. Als een reusachtig systeem van de fijnste zenuwdraden draagt en bezielt hij het geweldige heelal en bevordert voortdurende beweging, een eeuwig geven en nemen!

Eenvoudig en natuurlijk en toch zo treffend heeft Jezus Christus het reeds gezegd: «Wat de mens zaait, dat zal hij oogsten!»

Deze enkele woorden geven het beeld van het werken en leven in de hele schepping zo schitterend weer als het nauwelijks anders kan worden gezegd. Onverbrekelijk is de betekenis van de woorden met het bestaan verweven. Onomstotelijk, onaantastbaar, niet te beïnvloeden in de voortdurende uitwerking.

U kunt het zien, wanneer u wilt zien! Begint hiermee bij het waarnemen van de voor u nu zichtbare omgeving. Wat u natuurwetten noemt, zijn immers de goddelijke wetten, zijn de Wil van de Schepper. U zult spoedig inzien, hoe onverstoorbaar zij aanhoudend werkzaam zijn, want als u tarwe zaait, zult u geen rogge oogsten, en als u rogge uit-strooit, kan daaruit geen rijst groeien!

Dat is voor ieder mens zo vanzelfsprekend, dat hij daarbij in het geheel niet nadenkt over het eigenlijke gebeuren. Daardoor wordt hij zich helemaal niet bewust van de hierin aanwezige strenge en grote wet. En toch staat hij daarbij voor de oplossing van een raadsel dat voor hem geen raadsel behoeft te zijn.

Dezelfde wet nu, die u hierbij kunt waarnemen, doet zich met gelijke zekerheid en kracht ook bij de allerfijnste dingen gelden, welke u slechts door vergrootglazen kunt zien, en nog verdergaand in het fijnstoffelijke deel van de hele schepping, dat verreweg het grootste is. Onveranderlijk ligt hij in ieder gebeuren besloten, ook in de fijnste ontwikkeling van uw gedachten, die immers ook nog een zekere stoffelijkheid hebben.

Hoe hebt u zich kunnen inbeelden dat het juist dáár anders moet zijn, waar u het graag anders zou willen hebben? Uw twijfels zijn in werkelijkheid niets meer dan uitgesproken innerlijke wensen!

Het is in het gehele voor u zichtbare en onzichtbare zijn niet anders dan dat iedere soort dezelfde soort voortbrengt, van welke stof zij ook is. Even ononderbroken is het groeien en het zich ontwikkelen, het vruchtdragen en het voortbrengen van dezelfde soort. Dit gebeuren loopt op dezelfde wijze door alles heen, maakt geen onderscheid, laat geen leemte, houdt niet stil voor een ander gedeelte van de schepping, maar leidt de werkingen er doorheen als een onverbreekbare draad, zonder op te houden of af te breken.

Ook al zonderde het merendeel van de mensheid zich in haar beperking en inbeelding van het heelal af, toch hebben de goddelijke of natuurwetten daarom niet opgehouden hen als daarbij behorend te beschouwen en onveranderlijk rustig en gelijkmatig verder te werken.

De wet van de wisselwerking eist echter ook dat de mens alles wat hij zaait, dus daar waar hij aanleiding tot een werking of uitwerking geeft, ook oogsten moet!

De mens heeft er steeds alleen de vrije beslissing over, het vrije besluit bij het begin van elk gebeuren , waarheen de hem doorstromende, alomvattende kracht moet worden geleid, in welke richting. De daaruit voortkomende gevolgen, die ontstaan door het werken van de kracht in de door hem gekozen richting, moet hij dan dragen! Desondanks volharden velen bij de bewering dat de mens toch geen vrije wil kan hebben, als hij aan een lotsbeschikking onderworpen is!

Deze dwaasheid kan slechts ten doel hebben zichzelf te bedwelmen of het is een met tegenzin zich voegen in iets onvermijdelijks, een morrend berusten, in hoofdzaak echter een zelfverontschuldiging, want elk van deze op hem terugvallende uitwerkingen heeft een begin gehad en bij dit begin lag de oorzaak van de latere uitwerking in een voorafgegane vrije beslissing van de mens.

Deze vrije beslissing is eens voorafgegaan aan elke wisselwerking, dus aan elke lotsbeschikking! Met een eerste willen heeft de mens telkens iets gevormd, geschapen, waarin hij later na kortere of langere tijd zelf eenmaal moet leven. Wanneer dit gebeurt, is echter zeer verschillend. Het kan nog zijn in hetzelfde aardse bestaan, waarin het eerste willen het begin daarvan veroorzaakte, maar het kan evengoed na het afleggen van het grofstoffelijke lichaam in de fijnstoffelijke wereld gebeuren, of nog later opnieuw in een grofstoffelijk aards bestaan.

De veranderingen spelen daarbij geen rol, ze bevrijden de mens er niet van. Steeds draagt hij de verbindingsdraden met zich mee, totdat hij ervan verlost, dat wil zeggen «losgemaakt» wordt door de uiteindelijke uitwerking die door de wet van de wisselwerking tot stand komt.

Hij die iets vormt, is aan zijn eigen werk gebonden, ook al heeft hij het anderen toegedacht!

Wanneer een mens dus vandaag het besluit neemt een ander iets kwaads toe te voegen, zij het nu in gedachten, woorden of daden, dan heeft hij daarmee iets «in de wereld gezet», ongeacht of het voor iedereen zichtbaar is of niet, of het dus grofstoffelijk of fijnstoffelijk is, het heeft kracht en daardoor leven in zich, dat zich in de gewilde richting verder ontwikkelt en doorwerkt.

Hoe nu de uitwerking is op degeen voor wie het bestemd is, ligt geheel aan de gesteldheid van de ziel van de betrokkene, die het daardoor meer of minder schade kan berokkenen, misschien ook anders dan gewild werd, of ook helemaal niet, want de zielstoestand van de betrokkene is wederom alleen maatgevend voor hemzelf. Niemand is dus aan zulke dingen weerloos prijsgegeven.

Anders vergaat het degene die door zijn beslissing en zijn willen tot deze beweging aanleiding heeft gegeven, die er dus de veroorzaker van was. Wat veroorzaakt werd, blijft onvoorwaardelijk met hem verbonden en keert na een korte of lange tocht door het heelal weer naar hem terug, versterkt, als een bij beladen door de aantrekking van het gelijkgeaarde.

De wet van de wisselwerking wordt daarbij werkzaam, doordat alles wat veroorzaakt is, bij zijn beweging door het heelal verschillende geaardheden aantrekt of zelf erdoor wordt aangetrokken; door het aaneensluiten hiervan ontstaat een krachtbron die, als vanuit een centrale, versterkte kracht van dezelfde aard aan al diegenen terugzendt, die door hetgeen ze hebben veroorzaakt, als aan snoeren verbonden zijn met de verzamelplaats van gelijke geaardheden.

Door deze versterking treedt ook een steeds toenemende verdichting op, totdat er tenslotte een grofstoffelijke neerslag van ontstaat, waarin de vroegere veroorzaker nu op de destijds door hem gewilde manier zichzelf moet uitleven om er tenslotte van te worden bevrijd.

Dat is het ontstaan en de ontwikkelingsgang van het zo gevreesde en miskende lot! Het is rechtvaardig tot in de kleinste en fijnste schakering, omdat het door het aantrekken van alleen gelijke geaardheden in de terugstraling nooit iets anders tot stand kan brengen dan wat oorspronkelijk werkelijk zelf werd gewild.

Of dit voor een bepaalde andere persoon of in het algemeen bedoeld was, maakt geen verschil, want dezelfde ontwikkelingsgang heeft na-tuurlijk ook plaats, wanneer de mens zijn willen niet beslist op één ander mens of op meer mensen richt, maar in het algemeen in een bepaald soort willen leeft.

De aard van het willen, waartoe hij besluit, is beslissend voor de vruchten die hij uiteindelijk moet oogsten. Zo hangen er talloze fijnstoffelijke draden aan de mens of hij hangt daaraan; zij laten alle datgene op hem terugstromen, wat hij ooit eens heeft gewild. Deze stromingen brengen samen een mengsel voort, dat aanhoudend krachtig op de vorming van het karakter inwerkt.

Zo zijn er in de geweldige machinerie van het heelal vele dingen die meewerken aan wat de mens «overkomt», maar er is niets waartoe de mens niet zelf eerst de aanleiding heeft gegeven.

Hij levert de draden waaruit op de onvermoeibare weefstoel van «het zijn» de mantel wordt vervaardigd, die hij moet dragen.

Christus drukte hetzelfde duidelijk en treffend uit met de woorden: «Wat de mens zaait, zal hij oogsten». Hij zei niet «kan» hij oogsten, maar hij «zal». Dat is hetzelfde als: hij moet datgene oogsten wat hij zaait.

Hoe dikwijls hoort men niet zeggen door overigens verstandige mensen: «Dat God zoiets toelaat, is voor mij onbegrijpelijk!»

Onbegrijpelijk is het echter dat mensen zoiets kunnen zeggen! Hoe klein stellen zij zich God voor, wanneer ze zo spreken. Ze leveren daarmee het bewijs dat ze zich hem voorstellen als een «willekeurig handelende God».

Maar God grijpt in al deze kleine en grote zorgen van de mensen, oorlogen, ellende en wat er nog meer op aarde gebeurt, in het geheel niet direct in! Van het begin af aan heeft Hij in de schepping zijn volmaakte wetten geweven, die zelfstandig hun feilloze werk volbrengen, zodat alles haarfijn in vervulling gaat, eeuwig op dezelfde wijze tot uitwerking komt, waardoor een bevoorrechting evenzeer is uitgesloten als een benadeling en iedere onrechtvaardigheid onmogelijk blijft.

God behoeft zich dus niet in het bijzonder daarom te bekommeren, zijn werk is zonder leemten.

Een zeer belangrijke fout van zoveel mensen is echter dat zij alleen volgens het grofstoffelijke oordelen en zichzelf daarin als middelpunt zien, en tevens met één leven op aarde rekenen, terwijl ze in werkelijkheid reeds verschillende levens op aarde achter zich hebben. Deze, evenals ook de tussenperioden in de fijnstoffelijke wereld, gelden als een één-geheel-vormend zijn, waar de draden zonder af te breken strak doorheen getrokken zijn, zodat dus in de uitwerkingen van één bepaald aards bestaan slechts een klein gedeelte van deze draden zichtbaar wordt.

Het is daarom een grote dwaling te geloven dat met het geboren worden een geheel nieuw leven begint, dat een kind dus «onschuldig» is ¹), en dat alle gebeurtenissen alleen mogen worden beoordeeld naar het korte bestaan op aarde. Als dit werkelijk zo was, dan moesten vanzelfsprekend bij bestaande rechtvaardigheid oorzaken, uitwerkingen en terugwerkingen gezamenlijk binnen de duur van één bestaan op aarde vallen.

Maakt u los van deze dwaling. U zult dan weldra de nu zo vaak ontbrekende logica en rechtvaardigheid in alle gebeurtenissen ontdekken!

Velen schrikken daarvan en vrezen datgene wat hen volgens deze wetten in de terugwerking van eertijds nog te wachten staat.

Maar dat zijn onnodige zorgen voor hen die ernst maken met het goede willen, want in de zelfwerkzame wetten ligt tegelijkertijd ook de stellige waarborg voor genade en vergeving!

Geheel afgezien daarvan dat met het krachtige begin van het goede willen dadelijk een grens bepaald wordt voor het punt waar de keten van de kwade terugwerkingen een einde moet bereiken, wordt nog een ander gebeuren van kracht, dat van zeer grote waarde is:

Door het aanhoudend goede willen in al het denken en doen stroomt, eveneens terugwerkend, uit de gelijkgeaarde krachtbron een voortdurende versterking, zodat het goede in de mens zelf steeds sterker wordt, uit hem naar buiten treedt en vervolgens de fijnstoffelijke omgeving, die hem als een beschermend omhulsel omringt, daarnaar vormt, ongeveer zoals de luchtlaag om de aarde deze bescherming biedt.

Wanneer nu kwade terugwerkingen van vroeger ter aflossing naar zo iemand terugkomen, dan glijden zij langs de reinheid van zijn omgeving of omhulsel af en worden zo van hem afgeleid.

Dringen zij echter desondanks in dit omhulsel binnen, dan worden de kwade stralingen òf dadelijk vernietigd òf tenminste aanmerkelijk verzwakt, waardoor de schadelijke uitwerking zich in het geheel niet of slechts in zeer geringe mate kan voltrekken.

Bovendien is door de verandering die heeft plaatsgehad, ook de eigenlijke innerlijke mens, waarop de terugstralingen zijn gericht, door het aanhoudend streven naar het goede willen veel fijner en lichter geworden, zodat hij niet meer gelijkgeaard staat tegenover de grotere dichtheid van kwade of lagere stromingen. Het is te vergelijken met de draadloze telegrafie, wanneer het ontvangtoestel niet op de sterkte van de zender is ingesteld.

Het natuurlijke gevolg daarvan is dat de dichtere stromingen, omdat ze van een andere geaardheid zijn, geen houvast vinden en zonder kwade uitwerking te hebben en schade te veroorzaken er doorheen gaan, afgelost door een onbewust uitgevoerde symbolische handeling; over de verschillende vormen daarvan zal ik later nog eens spreken.

Daarom onverwijld aan het werk! De Schepper heeft u in de schepping alles in handen gegeven. Benut de tijd! Ieder ogenblik houdt voor u het verderf in of het gewin!