In het Licht der Waarheid - Graalsboodschap Deel 3

Abd-ru-shin

23,00 €
TTC
Frais de port


En stock

5 à 8 jours ouvrables

OU
Description

Détails

De drie delen van het boek In het Licht der Waarheid bevatten samen 168 voordrachten die de lezer de weg wijzen naar Godsbesef en inzicht in de wereld en in zichzelf.

Abd-ru-shin, de schrijver van de Graalsboodschap, droeg de burgerlijke naam Oskar Ernst Bernhardt (1875 - 1941). Met het boek In het Licht der Waarheid wilde hij alle naar waarheid zoekende mensen ‘toorts en staf’ bieden op de weg van de geestelijke ontwikkeling naar werkelijk geluk en een betere samenleving. Zonder omwegen voert de Graalsboodschap weg uit de chaos en verwarring van de tegenwoordige tijd. Vragen van het menselijk bestaan worden eenvoudig en helder beantwoord. De basis daarvoor wordt gevormd door universele scheppingswetten, waarvan de natuurwetten die wij op aarde kennen een direct uitvloeisel vormen.

Naast antwoorden op alle grote vragen naar de zin van het bestaan vindt de lezer in de Graalsboodschap ook hulp voor velerlei levensproblemen. Stap voor stap ontvouwt zich voor hem een nieuw, alomvattend beeld van de schepping, waarin geloof en wetenschap tot eenheid worden en alle tegenstellingen tussen bestaande religies komen te vervallen.

De drie delen van In het Licht der Waarheid vormen als samenhangend geheel een onvergelijkbaar basiswerk van het scheppingweten.

Informations complémentaires
Auteur Abd-ru-shin
ISBN 978-90-71373-08-4
Format 16,1 x 23,5 cm
Présentation linnen band met omslag
Nombre de pages 468
Langue Nederlands
Temps de livraison 5 à 8 jours ouvrables
Prévisualiser

Extrait

KERSTMIS

Kerstmis! Juichend zingen in jubelende dank doorstroomde eens alle sferen van de schepping, toen de Godszoon Jezus in de stal te Bethlehem werd geboren, en herders op de velden, bij wie tijdens deze blijde beroering van het heelal de blinddoek van de geestesogen werd genomen, opdat zij getuigenis konden afleggen van het onmetelijke gebeuren, om de mensen er opmerkzaam op te maken, zonken vol vrees op de knieën, omdat zij door het voor hen nieuwe, onbegrijpelijke overweldigd waren.
Vrees was het bij de herders, die tijdelijk voor dat doel helderziend en ook helderhorend werden gemaakt. Vrees voor de grootheid van het gebeuren, voor de Almacht van God, die zich daarbij openbaarde! Om deze reden sprak de verkondiger uit de lichte hoogten ook eerst geruststellend tot hen: „Vreest niet!”
Dat zijn de woorden die u steeds weer zult tegenkomen, wanneer een verkondiger uit de lichte hoogten tot de mensen spreekt, want het is vrees, wat aardemensen bij het zien en bij het horen van hoge verkondigers steeds het eerst gewaarworden, teweeggebracht door de druk van de kracht waarvoor zij op zulke ogenblikken ook enigszins openstaan. Heel weinig slechts, want maar iets meer zou hen reeds moeten verpletteren en verbranden.
En toch zou het vreugde moeten zijn en niet vrees, zodra de geest van de mens naar de lichte hoogte streeft.
Niet voor de gehele mensheid werd dit zichtbaar in de Heilige Nacht! Behalve de ster die zich grofstoffelijk vertoonde, zag niemand van de aardemensen deze lichte verkondiger en de lichte scharen die om hem heen waren. Niemand zag en hoorde dit alles dan de enkele daartoe uitverkoren herders, die in hun eenvoud en hun verbondenheid met de natuur het gemakkelijkst daarvoor ontvankelijk konden worden gemaakt.
En nooit kunnen zich zulke grote verkondigingen hier op aarde anders voltrekken dan door enkele daartoe uitverkorenen! Bedenkt dat steeds, want de wetmatigheid in de schepping kan niet om uwentwille worden opgeheven. Maakt daarom geen gefantaseerde voorstellingen van allerlei gebeuren, dat nooit zó kan zijn als u het zich voorstelt! Dat zijn stille eisen die nooit uit ware overtuiging voortkomen, maar die een teken zijn van verborgen ongeloof en van een traagheid van geest, die mijn Woord van de Boodschap niet zo heeft opgenomen als vereist is om in de mensengeest levend te kunnen worden.
Destijds geloofde men de herders, tenminste voor een korte tijd. Tegenwoordig worden dergelijke mensen slechts uitgelachen, voor overspannen gehouden of zelfs ook voor bedriegers die daardoor aards voordeel willen verkrijgen, omdat de mensheid veel te diep is gezonken om verkondigingen uit de lichte hoogten nog voor echt te kunnen houden, vooral wanneer zij deze zelf niet kunnen horen en ook zelf niets kunnen zien.
Gelooft u dan, gij mensen, dat God nu vanwege uw diepe val de volmaakte wetten in de schepping omverwerpt, alleen maar om u te dienen, uw fouten zelf te overbruggen, uw geestelijke traagheid te vereffenen? De volmaaktheid van zijn wetten in de schepping is en blijft steeds onaantastbaar, onveranderlijk, want zij dragen de Heilige Wil van God!
Zo zullen nu ook de grote verkondigingen die u verwacht, zich hier op aarde nooit anders kunnen voltrekken dan in die vorm welke u reeds lang kent, die u ook erkent, voor zover zij in het verre verleden liggen.
Een zogenaamd goed christen zou diegene zonder meer een godslasteraar noemen en als een groot zondaar beschouwen, die het zou wagen te beweren, dat de verkondiging van de geboorte van de Godszoon Jezus aan de herders een sprookje is.
Maar dezelfde goede christen wijst de verkondigingen van de tegenwoordige tijd met heftige verontwaardiging van de hand, ofschoon deze op dezelfde wijze door daartoe begenadigden zijn gebracht, en noemt degenen die ze overbrengen zonder meer ook godslasteraars, in het gunstigste geval misschien alleen fantasten of mensen die gestoord, dikwijls ook misleid zijn.
Bedenkt echter zelf, waar blijft dan het gezonde denken, waar strenge logica en waar gerechtigheid? Eenzijdig en ziekelijk begrensd zijn deze opvattingen van de streng gelovigen, zoals deze zichzelf gaarne noemen. Maar in de meeste gevallen is het traagheid van hun geest en de daaruit steeds voortkomende menselijke verwaandheid der geestelijk zwakken, die moeite hebben zich althans voor de schijn nog krampachtig vast te klampen aan iets dat vroeger gebeurd is en dat zij eens hebben geleerd, maar nooit werkelijk in zichzelf hebben beleefd, die tot een vooruitgang van hun geest echter in het geheel niet in staat zijn en daarom alle nieuwe openbaringen van de hand wijzen.
Wie van de gelovigen heeft trouwens al ooit een vermoeden gekregen van de grootheid van God, die gelegen is in het gebeuren dat zich in die Kerstnacht door de geboorte van de Godszoon stil voltrok. Wie heeft een vermoeden van de genade die de aarde daarmee als geschenk ten deel is gevallen!
Destijds was er gejubel in de sferen, thans is er rouw. Alleen op de aarde tracht zo menigeen zichzelf vreugde te bereiden of ook anderen. Maar dit alles is niet zoals het zou moeten zijn, wanneer het erkennen of ook maar het ware begrip van God in de mensengeest levend zou worden.
Bij het geringste vermoeden van de werkelijkheid zou het alle mensen vergaan als de herders, ja het zou door de grootheid zelfs in het geheel niet anders kunnen zijn: zij zouden onmiddellijk op de knieën zinken ... uit vrees! Want door het vermoeden zou toch als eerste de vrees krachtig moeten opkomen en de mens terneer moeten werpen, omdat bij het krijgen van een vermoeden van God ook de grote schuld zichtbaar wordt, die de aardemens op zich heeft geladen, alleen al door de onverschillige wijze waarop hij de goddelijke genade aanneemt en niets in dienst van God werkelijk daarvoor doet!
Hoe merkwaardig is het toch, dat ieder mens die het Kerstfeest bij uitzondering eens echt op zich wil laten inwerken, probeert zich daarbij in zijn kindertijd te verplaatsen!
Dat is toch duidelijk genoeg te beschouwen als een teken daarvoor, dat hij in het geheel niet in staat is als volwassene het Kerstfeest met de aanvoeling te beleven! Het is het bewijs, dat hij iets verloren heeft wat hij als kind bezat! Waarom geeft dat de mensen niet te denken!
Wederom is het geestelijke traagheid die hen belet zich met deze dingen ernstig bezig te houden. „Dat is voor kinderen” denken zij, en de volwassenen hebben daarvoor helemaal geen tijd! Zij moeten over ernstiger dingen nadenken.
Ernstiger dingen! Met deze ernstiger dingen bedoelen zij alleen maar het najagen van aardse zaken, dus werk van het verstand! Het verstand dringt snel herinneringen ver terug, om niet de voorrang te verliezen wanneer aan de aanvoeling eens de ruimte wordt gegeven!
Uit al deze ogenschijnlijk zo kleine feiten zouden de grootste dingen op te maken zijn, wanneer het verstand daarvoor maar tijd liet. Maar het heeft de overhand en vecht daarom met al zijn listigheid en slinksheid. Dat wil zeggen, niet het verstand vecht, maar in werkelijkheid vecht datgene wat het als werktuig gebruikt en zich erachter verbergt: het duister!
Het wil niet toelaten, dat het Licht gevonden wordt in herinneringen. En hoezeer de geest ernaar verlangt het Licht te vinden, nieuwe kracht daaruit te putten, ziet u aan het feit dat met de herinneringen aan het Kerstfeest in de kinderjaren ook een onbestemd, bijna weemoedig verlangen ontwaakt, dat vele mensen tijdelijk week kan stemmen.
Dit week stemmen zou de beste grondslag kunnen worden voor het ontwaken, wanneer er gebruik van werd gemaakt, onmiddellijk en ook met alle kracht! Maar helaas komen de volwassenen daarbij alleen nog maar tot dromerige overpeinzingen, waarbij de opkomende kracht wordt verkwist, verspeeld. En met die dromerijen gaat ook de gelegenheid voorbij zonder nut te kunnen brengen of gebruikt te zijn.
Zelfs wanneer menigeen daarbij een paar tranen laat, dan schaamt hij zich daarvoor, tracht ze te verbergen, vermant zich met een ruk, waaruit zo dikwijls een onbewuste koppigheid blijkt.
Hoeveel zouden de mensen uit dit alles kunnen leren. Niet zonder reden zijn de herinneringen aan de kinderjaren met een lichte weemoed doorvlochten. Het is het onbewust aanvoelen, dat er iets verloren is gegaan, dat een leegte heeft achtergelaten: het onvermogen om nog kinderlijk aan te voelen.
U hebt toch zeker dikwijls gemerkt hoe heerlijk verfrissend ieder mens alleen al door zijn stille tegenwoordigheid werkt, wiens ogen af en toe kinderlijk stralen.
De volwassene mag niet vergeten, dat het kinderlijke niet kinderachtig is. U weet echter niet waarom er van het kinderlijke een dergelijke werking uit kan gaan, wat het eigenlijk is! En waarom Jezus sprak: „Wordt als de kinderen!”
Om te doorgronden wat kinderlijk is, moet het u eerst duidelijk zijn dat het kinderlijke volstrekt niet aan het kind als zodanig gebonden is. U kent toch stellig zelf kinderen die het eigenlijk mooie kinderlijke missen! Er zijn dus kinderen zonder kinderlijkheid! Van een kwaadwillig kind zal nooit ies kinderlijks uitgaan, net zo min als van een ongemanierd, eigenlijk onopgevoed kind!
Daaruit blijkt duidelijk, dat kinderlijkheid en kind twee op zichzelf staande dingen zijn.
Wat op aarde kinderlijk wordt genoemd, is een deel van de werking vanuit de reinheid! Reinheid in de hogere, niet alleen aards-menselijke betekenis. De mens die in de straal van de goddelijke Reinheid leeft, die zich voor de straal van de Reinheid openstelt, heeft daarmee ook het kinderlijke verworven, hetzij nog op de kinderleeftijd, hetzij als volwassene.
Kinderlijkheid komt voort uit de innerlijke reinheid, is het teken dat zo iemand zich aan de reinheid heeft gewijd, deze dient. Het zijn immers allemaal slechts verschillende manieren van uitdrukken, in werkelijkheid is het echter steeds hetzelfde.
Dus alleen van een innerlijk rein kind kan iets kinderlijks uitgaan, als ook van een volwassene die reinheid in zich koestert. Daarom heeft zo iemand een verfrissende en bezielende invloed, wekt hij ook vertrouwen!
En waar de ware reinheid is, kan ook de echte liefde zijn intrede doen, want de Liefde van God werkt in de straal van de Reinheid. De straal van de Reinheid is de weg waarlangs zij gaat. Zij zou niet in staat zijn een andere te volgen.
Wie niet de straal van de Reinheid in zich opgenomen heeft, kan door de straal van de Liefde van God nooit worden bereikt!
Bedenkt dit steeds en geeft aan uzelf als kerstgeschenk het vaste voornemen u voor de reinheid open te stellen, opdat bij het Feest van de Stralende Ster, dat het Feest van de Roos in de Godsliefde is, de straal der Liefde langs de weg der Reinheid tot u kan doordringen!
Dan hebt u dit feest, het Kerstfeest, werkelijk gevierd zoals het volgens de Wil van God is! U toont daarmee de ware dankbaarheid voor de onmetelijke genade van God, die Hij met het Kerstfeest de aarde steeds weer geeft!
Vele godsdienstoefeningen worden er tegenwoordig gehouden ter herinnering aan de geboorte van de Godszoon. Doorloopt snel in de geest of ook in uw herinnering de vele soorten van kerken, laat uw aanvoeling daarbij spreken en u zult zich beslist afwenden van de bijeenkomsten die men godsdienstoefeningen noemt!
Op het eerste ogenblik is de mens verwonderd, dat ik op deze wijze spreek, hij weet niet wat ik daarmee wil zeggen. Dit komt echter alleen maar doordat hij zich tot dusver nog nooit de moeite heeft gegeven, eens na te denken over het woord „godsdienst” en dan een vergelijking te maken met het gebeuren dat men met godsdienstoefening aanduidt. U hebt dit eenvoudig aanvaard, zoals zoveel dat al eeuwenlang als gewoonte bestaat.
En toch is het woord „godsdienst” zo ondubbelzinnig, dat het in een verkeerde betekenis in het geheel niet kan worden gebruikt, wanneer de mens niet de gewoonten van eeuwen her altijd weer zonder bedenking onverschillig aanvaardt en voortzet. Wat thans als godsdienst wordt aangeduid, is in het beste geval een gebed, verbonden met menselijke pogingen die woorden uit te leggen, waarvan gezegd wordt dat ze door de Godszoon zijn gesproken en later pas door mensenhanden zijn opgeschreven.
Aan dit feit is niets te veranderen, geen mens kan dergelijke beweringen tegenspreken, wanneer hij eerlijk wil blijven tegenover zichzelf en tegenover datgene wat werkelijk gebeurd is. Vooral dan wanneer hij niet te traag blijft om er grondig over na te denken, en geen holle leuzen - hem door anderen gegeven - gebruikt ter verontschuldiging van zichzelf.
En toch is nu juist het woord „godsdienst” in wezen veel te levend en spreekt het voor zichzelf zo duidelijk tot de mensen, dat het bij ook maar enig aanvoelingsvermogen nauwelijks zou kunnen worden gebruikt voor het soort handelingen, dat men tegenwoordig nog daarmee aanduidt, ofschoon de aardemens zich voor zeer ver gevorderd houdt.
Levend moet de godsdienst nu worden, wanneer het woord tot werkelijkheid wil worden met alles wat het in zich draagt. Het moet in het leven tot uiting komen. Wanneer ik vraag wat gij mensen onder dienst verstaat, dus onder het dienen, dan zal er niemand zijn die daarop anders antwoordt dan met het woord: werken! Dat ligt heel duidelijk reeds in het woord „dienst” besloten, en iets anders kan men zich daarbij in het geheel niet voorstellen.
De godsdienst op aarde is natuurlijk ook niets anders dan volgens de bedoeling van de wetten van God op de aarde hier te werken, aards in harmonie daarmee werkzaam te zijn. De Wil van God op de aarde om te zetten in de daad!
En dat ontbreekt overal!
Wie tracht immers God te dienen door zijn werkzaamheid op aarde. Iedereen denkt daarbij alleen maar aan zichzelf, gedeeltelijk ook aan degenen die op aarde nauw met hem verbonden zijn. En hij gelooft God te dienen, wanneer hij tot hem bidt!
Overdenkt toch slechts zelf eens, waarin daarbij nu eigenlijk het dienen van God gelegen is! Het is toch alles behalve dienen! En dat is dan het ene gedeelte van de zogenaamde godsdienstoefeningen van tegenwoordig, welke het gebed omvat. Het andere gedeelte, het uitleggen van het woord, dat door mensenhanden werd opgeschreven, kan wederom toch alleen maar als leren worden beschouwd voor diegenen die werkelijk moeite doen er een begrip van te krijgen. De onverschilligen en de oppervlakkigen komen immers al helemaal niet in aanmerking.
Niet geheel ten onrechte spreekt men van een godsdienstoefening „bezoeken” of deze „bijwonen”. Dat zijn daarvoor de juiste uitdrukkingen, die voor zichzelf spreken!
Godsdienst moet de mens echter zelf ten uitvoer brengen en hij moet zich daarbij niet afzijdig houden. „Bidden” is niet dienen, want bij het bidden wil de mens gewoonlijk iets van God hebben, God moet iets voor hem doen, hetgeen tenslotte toch ver verwijderd is van het begrip „dienen”. Het bidden en het gebed hebben dus met godsdienst niets uit te staan.
Dit zal wel zonder meer begrijpelijk zijn voor ieder mens. Er moet toch een bedoeling gelegen zijn in alles wat de mens op aarde doet, hij kan de hem geschonken taal niet misbruiken zoals hij dat wil zonder dat het hem schade brengt. Dat hij zich niet op de hoogte heeft gesteld van de macht die ook in het woord der mensen is gelegen, vermag hem daartegen niet te beschermen.
Het is zijn fout, wanneer hij dit verzuimt! En hij is dan aan de uitwerkingen van een verkeerd gebruik van het woord onderworpen, wat voor hem tot een belemmering wordt in plaats van tot een hulp. Het zelfwerkzame weven van alle scheppingsoerwetten houdt niet stil en talmt niet voor de nalatigheden van de mensen, maar alles wat in de schepping in werking is gesteld, gaat zijn gang met onomstotelijke nauwkeurigheid.
Dat is het waar de mensen nooit aan denken en waar zij daarom ook tot hun eigen nadeel geen acht op slaan. Zelfs in de kleinste, onbeduidendste dingen komt het dienovereenkomstig steeds tot uitwerking.
De op zichzelf verkeerde aanduiding der bijeenkomsten met de naam „godsdienstoefening” heeft er ook veel toe bijgedragen, dat de ware godsdienst door de mensen niet ten uitvoer werd gebracht, daar ieder meende reeds genoeg te hebben gedaan wanneer hij een dergelijke godsdienstoefening bijwoonde, die nooit werkelijke godsdienst was.-
Noemt deze bijeenkomsten een uur van gemeenschappelijke verering van God, dat zou tenminste dichter bij de betekenis komen en tot op zekere hoogte ook het instellen van afzonderlijke uren daarvoor rechtvaardigen, hoewel de verering van God ook in iedere blik, in elk denken en handelen gelegen kan zijn en tot uiting kan komen.
Menigeen zal nu wel denken, dat dit in het geheel niet mogelijk is zonder dat men gekunsteld zou lijken, te gemaakt! Dat is echter niet zo. Hoe meer de waarachtige verering van God doorbreekt, des te natuurlijker zal de mens worden bij alles wat hij doet, zelfs in zijn eenvoudigste bewegingen. Zijn innerlijk is dan vervuld van oprechte dank jegens zijn Schepper en hij geniet de genade in de reinste vorm.
Verplaatst u nu vandaag bij het Kerstfeest in gedachten naar een van de aardse godsdienstoefeningen.
Jubelende dank, gelukzaligheid zou in ieder woord moeten weerklinken voor de genade, die God de mensen eens daarmee betoonde. Voor zover mensen deze genade ooit naar waarde kunnen schatten, want de werkelijke grootheid in zijn geheel te bevatten, dat kan de mensengeest niet volbrengen.
Maar dan zoekt men overal tevergeefs. De blijde vlucht omhoog naar de lichte hoogten ontbreekt! Van dankgejubel is geen spoor te bekennen. Dikwijls is er zelfs nog een druk te bespeuren, die zijn oorsprong heeft in teleurstelling welke de mens niet kan verklaren.
Slechts één ding is overal te vinden, iets dat de aard van de godsdienstoefeningen van elke geloofsbelijdenis als met het scherpste stift ingegrift weergeeft en kenmerkt, of al datgene wat in de godsdienstoefening onzichtbaar leeft, dwingt om hoorbaar tot uiting te komen: in alle predikende stemmen is een zeurende toon te horen als een weemoedige klank, die vermoeit doordat hij voortdurend wordt aangehouden en die als een grauwe sluier over de inslapende zielen daalt.
En toch klinkt het daarbij soms als een verborgen klagen over iets dat verloren is gegaan! Of niet werd gevonden! Gaat er zelf heen en luistert. Overal zult u dit vreemde, opvallende verschijnsel aantreffen!
Het is de mensen niet bewust, maar om de gebruikelijke woorden te bezigen: het is nu eenmaal zo!
En daarin is waarheid gelegen. Het is zo, zonder dat de spreker het wil, en het toont heel duidelijk welk karakter aan het geheel ten grondslag ligt. Van een blijde vlucht omhoog kan daarbij geen sprake zijn, ook niet van een vlammend oplaaien, maar het is als een dof, mat smeulen, dat de kracht niet opbrengt om vrij naar boven toe door te stoten.
Waar degeen die spreekt zich daarbij niet door de doffe, matte stemming van deze godsdienstoefeningen laat „dragen”, wanneer hij hierdoor onberoerd blijft - hetgeen hetzelfde zou betekenen als een zekere lauwheid of een zich bewust afzijdig houden - daar zullen alle woorden zalvend lijken, wat kan worden vergeleken met klinkend metaal, koud, zonder warmte, zonder overtuiging.
In beide gevallen ontbreekt de gloed der overtuiging, ontbreekt de kracht van het zegevierende weten, dat in jubelende lofzang alle medemensen daarover wil verkondigen!
Wanneer, zoals bij het woord „godsdienst”, een misleidende benaming wordt gebruikt voor iets waarvan de inhoud anders is dan het woord aangeeft, dan komt deze fout tot uitwerking. De kracht die aanwezig zou kunnen zijn, wordt reeds bij voorbaat door het gebruik van een verkeerde benaming gebroken; er kan geen werkelijke, volledige harmonie tot stand komen, omdat door het woord waarmee men het aanduidt, een ander begrip ontstond, dat dan niet in vervulling gaat. De uitvoering van de godsdienstoefening is in tegenspraak met datgene wat in het diepste aanvoelen van iedere mensengeest het woord „godsdienst” als beeld doet verrijzen.
Gaat heen en leert, en u zult spoedig inzien waar u werkelijk levensbrood wordt geboden. Benut vóór alles de gemeenschappelijke bijeenkomsten als uren van wijdingsvolle Godsverering. Maar brengt godsdienst tot uiting bij alles wat u in uw bestaan doet, in het leven zelf, want daarmee moet u uw Schepper dienen, dankbaar, jubelend om de genade, dat u mag bestaan!
Maakt alles wat u denkt en doet, tot een dienen van God! Dan zal dit u die vrede brengen, waarnaar u zozeer verlangt. En ook al brengen de mensen u nog zo in het nauw, of dit nu is uit afgunst, uit kwaadwilligheid of door hun slechte gewoonten, u draagt de vrede steeds in uzelf, en deze zal u tenslotte ook alle moeilijkheden laten overwinnen!